Category Archives: Actueel

Turboliquidatie: wanneer is de bestuurder privé aansprakelijk?

Een bv kan onder voorwaarden worden beëindigd via een turboliquidatie. Dat betekent echter niet dat een bestuurder daarmee automatisch van openstaande verplichtingen af is. Zeker wanneer er nog activa zijn of wanneer schuldeisers bewust worden benadeeld, kan de bestuurder persoonlijk worden aangesproken.

Dat blijkt opnieuw uit een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 11 maart 2026. In deze zaak werden de (indirect) bestuurders persoonlijk aansprakelijk gehouden nadat een vennootschap haar activiteiten had verkocht, bepaalde schuldeisers wel betaalde en vervolgens werd geturboliquideerd.

Schuldeiser blijft onbetaald

De kwestie draaide om een betalingsverplichting die voortkwam uit de verkoop van aandelen. De betreffende schuldeiser kreeg niet betaald en startte daarover een procedure tegen de vennootschap.

Terwijl die procedure liep, werden de activiteiten en goodwill van de vennootschap aan een derde verkocht. De opbrengst daarvan werd vervolgens gebruikt om schuldeisers te betalen. Niet iedereen werd daarbij gelijk behandeld: de betreffende schuldeiser bleef onbetaald.

Daarna werd de vennootschap via turboliquidatie ontbonden.

Opvallend was dat de schuldeiser niet werd geïnformeerd over de verkoop van de activiteiten, het besluit tot ontbinding en de informatie die bij het handelsregister werd gedeponeerd. Volgens de rechtbank waren de bestuurders daarmee onvoldoende transparant geweest.

Turboliquidatie betekent niet: schuldeisers verdwijnen

Een turboliquidatie is op zichzelf niet onrechtmatig. Een vennootschap zonder baten kan in beginsel worden ontbonden zonder vereffening. Ook het bestaan van schulden betekent niet automatisch dat een turboliquidatie onmogelijk is of dat de bestuurder persoonlijk aansprakelijk wordt.

De situatie verandert wanneer een bestuurder weet of behoort te begrijpen dat zijn handelen ertoe leidt dat een schuldeiser onbetaald blijft en ook geen verhaal meer heeft.

In deze zaak speelde daarbij een belangrijke rol dat er vóór de turboliquidatie nog activiteiten en goodwill waren verkocht. De bestuurders hadden dus te maken met opbrengsten waaruit schuldeisers konden worden voldaan.

Selectief betalen vraagt om uitleg

De rechtbank keek bovendien naar de verplichtingen die sinds de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie gelden.

Bij een turboliquidatie moet het bestuur onder meer informatie verstrekken over de oorzaak van het ontbreken van baten, de wijze waarop eventuele baten zijn verkocht en de verdeling van de opbrengsten. Ook moet worden aangegeven waarom bepaalde schuldeisers geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven. Deze informatie moet vervolgens aan de schuldeisers worden meegedeeld.

In deze zaak ontbrak die duidelijkheid. Zo werd niet vermeld wat de verkoop van de activiteiten en goodwill had opgebracht en hoe die opbrengst was verdeeld. Ook werd niet uitgelegd waarom sommige schuldeisers kennelijk wel waren betaald en andere niet.

Dat is meer dan een administratieve tekortkoming. Juist bij een turboliquidatie moet voor schuldeisers inzichtelijk zijn wat er met het vermogen van de vennootschap is gebeurd.

Wanneer wordt de bestuurder persoonlijk aansprakelijk?

Voor persoonlijke bestuurdersaansprakelijkheid is meer nodig dan alleen het feit dat een vennootschap haar schulden niet betaalt. De bestuurder moet persoonlijk een ernstig verwijt kunnen worden gemaakt.

In deze zaak vond de rechtbank dat daarvan sprake was. De bestuurders hadden de activiteiten en goodwill verkocht, de opbrengsten vervolgens selectief aangewend en daarna de vennootschap ontbonden. Tegelijkertijd was de schuldeiser op cruciale momenten niet geïnformeerd.

Daarbij wisten de bestuurders dat er een serieus geschil met de schuldeiser bestond en moesten zij er volgens de rechtbank rekening mee houden dat de vordering zou worden toegewezen. De combinatie van die omstandigheden wees volgens de rechtbank op betalingsonwil en op misbruik van de turboliquidatie.

De bestuurders werden daarom hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor de schade. Het toegewezen bedrag bedroeg € 56.412,29, naast rente en proceskosten.

Wat betekent dit voor ondernemers en bestuurders?

De uitspraak laat zien dat het beëindigen van een onderneming juridisch zorgvuldig moet worden voorbereid. Zeker wanneer er nog schuldeisers zijn of een procedure loopt.

Een bestuurder doet er verstandig aan vooraf onder meer na te gaan:

  1. zijn er nog baten of te verwachten opbrengsten?
  2. welke schuldeisers zijn er?
  3. welke schuldeisers worden wel en niet betaald?
  4. waarom wordt voor die verdeling gekozen?
  5. is er sprake van een lopend geschil of een mogelijke toekomstige vordering?
  6. zijn de vereiste gegevens bij een turboliquidatie volledig en juist gedeponeerd?
  7. zijn schuldeisers daarover tijdig geïnformeerd?

Een turboliquidatie kan een onderneming snel beëindigen, maar niet de verantwoordelijkheid van een bestuurder wegliquideren. Wie vermogen aan de onderneming onttrekt, bepaalde schuldeisers wel betaalt en anderen onbetaald laat, moet kunnen uitleggen waarom dat gebeurt. Ontbreekt die transparantie, dan kan het risico uiteindelijk bij de bestuurder persoonlijk terechtkomen.

Bron: Rechtbank Rotterdam 11 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2669. Bekijk de uitspraak via Recht.nl

Bouwgeschil? Laat de verantwoordelijkheden beoordelen

Bij een bouwproject zijn vaak meerdere professionals betrokken. De architect maakt het ontwerp, de aannemer voert het werk uit en de opdrachtgever vertrouwt erop dat het uiteindelijke resultaat aan de verwachtingen voldoet.

Maar wat gebeurt er wanneer een ontwerpkeuze achteraf tot problemen leidt? Wie moet de opdrachtgever daarvoor waarschuwen: de architect of de aannemer?

Een recente uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant laat zien dat de waarschuwingsplicht van een aannemer grenzen kent. Wanneer de problemen voortkomen uit het ontwerp, ligt de verantwoordelijkheid niet automatisch bij de aannemer.

Problemen met de temperatuur in de woning

In de betreffende zaak hadden opdrachtgevers een aardwarmtepompinstallatie laten aanleggen. Na de uitvoering bleek dat de woning in de zomer onvoldoende kon worden gekoeld.

Volgens de opdrachtgevers was het ontwerp van de installatie onvoldoende. Zij vonden bovendien dat zij vooraf hadden moeten worden gewaarschuwd voor de mogelijke gevolgen van de gemaakte ontwerpkeuzes.

De opdrachtgevers stelden dat de gekozen oplossing tot oververhitting zou kunnen leiden en dat aanvullende airconditioning nodig zou zijn.

De vraag was vervolgens of de aannemer daarvoor had moeten waarschuwen.

De aannemer mag in beginsel vertrouwen op het ontwerp

De rechter benadrukte dat de waarschuwingsplicht van een aannemer niet onbeperkt is.

Een aannemer mag in beginsel uitgaan van de deugdelijkheid van het ontwerp dat hij krijgt aangereikt. Dat betekent niet dat een aannemer nooit hoeft te waarschuwen. Wanneer hij bijvoorbeeld een duidelijke fout in het ontwerp constateert of behoort te constateren, kan van hem wel degelijk worden verwacht dat hij de opdrachtgever daarop wijst.

Maar de enkele omstandigheid dat een ontwerp achteraf niet het gewenste resultaat oplevert, maakt de aannemer nog niet verantwoordelijk voor de ontwerpkeuze.

In deze zaak lag het probleem volgens de rechtbank vooral bij de uitgangspunten en keuzes die in het ontwerp waren gemaakt.

Ontwerpverantwoordelijkheid ligt niet automatisch bij de aannemer

Dat onderscheid is belangrijk bij bouwgeschillen.

De verschillende partijen binnen een bouwproject hebben ieder hun eigen rol en verantwoordelijkheid. Een architect of ontwerper moet rekening houden met de gevolgen van keuzes die in het ontwerp worden gemaakt. Van een architect mag onder omstandigheden worden verwacht dat hij de opdrachtgever informeert wanneer een ontwerpkeuze bepaalde risico’s of consequenties heeft.

De aannemer heeft vervolgens zijn eigen verantwoordelijkheid bij de uitvoering.

De vraag wie aansprakelijk is, kan daarom niet worden beantwoord door alleen te kijken naar wie het werk uiteindelijk heeft uitgevoerd. Er moet worden vastgesteld waar het probleem is ontstaan en welke partij daarvoor verantwoordelijk was.

Een waarschuwingsplicht kent grenzen

De uitspraak maakt duidelijk dat van een aannemer niet kan worden verwacht dat hij ieder mogelijk gevolg van een ontwerpkeuze zelfstandig onderzoekt en de opdrachtgever daarvoor waarschuwt.

Dat zou de rolverdeling binnen een bouwproject te ver oprekken.

Tegelijkertijd betekent dit niet dat een aannemer blind mag uitvoeren wat hem wordt opgedragen. Wanneer hij weet of redelijkerwijs moet begrijpen dat een ontwerp of instructie tot problemen kan leiden, kan een waarschuwing wel degelijk vereist zijn.

Het gaat dus steeds om de concrete omstandigheden van het project, de deskundigheid van de betrokken partijen en wat zij over en weer van elkaar mochten verwachten.

Maak verantwoordelijkheden vooraf duidelijk

Voor opdrachtgevers is het verstandig om bij een bouwproject vooraf zo duidelijk mogelijk vast te leggen wie waarvoor verantwoordelijk is.

Wie maakt het ontwerp? Wie controleert de technische uitgangspunten? Wie adviseert over de gevolgen van bepaalde keuzes? En welke partij moet de opdrachtgever waarschuwen wanneer een risico wordt ontdekt?

Hoe duidelijker deze verantwoordelijkheden zijn vastgelegd, hoe kleiner de kans op discussie achteraf.

Ook voor architecten en aannemers is dit belangrijk. Een schriftelijke bevestiging van een advies, waarschuwing of gemaakte keuze kan later van grote betekenis zijn wanneer discussie ontstaat over de verantwoordelijkheid voor een gebrek.

Wie draait op voor een ontwerpfout?

Bij een bouwgeschil is het verleidelijk om direct naar de aannemer te kijken wanneer het eindresultaat niet voldoet.

Maar de juridische verantwoordelijkheid kan ergens anders liggen.

Een probleem kan bijvoorbeeld zijn veroorzaakt door:

  • een fout of tekortkoming in het ontwerp;
  • een verkeerde uitvoering;
  • onvoldoende communicatie tussen partijen;
  • een keuze van de opdrachtgever;
  • of een combinatie van verschillende factoren.

Daarom moet eerst zorgvuldig worden vastgesteld wat er precies is afgesproken, wie welke taak had en op welk moment een bepaalde keuze is gemaakt.

Wat betekent dit voor opdrachtgevers?

Heeft u een architect en aannemer ingeschakeld voor een bouwproject? Zorg dan dat u niet alleen afspraken maakt over de prijs en planning, maar ook over de verantwoordelijkheden van de verschillende betrokken partijen.

Laat daarnaast belangrijke ontwerpkeuzes en adviezen schriftelijk vastleggen. Dat kan later helpen om vast te stellen wie waarvoor verantwoordelijk was.

Ontstaat er toch een geschil, dan is het belangrijk om niet alleen te kijken naar het uiteindelijke gebrek. De voorgeschiedenis van het project en de rolverdeling tussen opdrachtgever, architect en aannemer zijn minstens zo belangrijk.

Bouwgeschil? Laat de verantwoordelijkheden beoordelen

De uitspraak laat zien dat de vraag “wie had moeten waarschuwen?” niet altijd eenvoudig te beantwoorden is.

Een aannemer heeft een waarschuwingsplicht, maar die verplichting kent grenzen. Wanneer een probleem voortkomt uit een ontwerpkeuze, kan de verantwoordelijkheid eerder bij de ontwerper liggen. Dat betekent overigens niet automatisch dat de architect aansprakelijk is; daarvoor moet ook worden beoordeeld wat precies is afgesproken en welke professionele verplichtingen golden.

Heeft u een conflict met een architect, aannemer of andere bouwprofessional over een ontwerp, gebrek of uitvoering? Dan is het verstandig om tijdig juridisch te laten beoordelen waar de verantwoordelijkheid ligt.

BedrijfsAdvocaat helpt ondernemers en opdrachtgevers bij geschillen over bouwprojecten, overeenkomsten en aansprakelijkheid. Wij brengen de gemaakte afspraken en verantwoordelijkheden in kaart en bekijken welke aanpak het beste past bij uw situatie.

Conclusie van antwoord: zo beschermt u uw positie

Een dagvaarding ontvangen is voor iedere ondernemer vervelend. Toch is vooral belangrijk wat u daarna doet. Met een conclusie van antwoord krijgt u de gelegenheid om te reageren op de vorderingen en argumenten van de wederpartij. Dat verweer vormt een belangrijk onderdeel van de verdere procedure.

Een conclusie van antwoord is daarom niet iets wat u snel tussen andere werkzaamheden door moet opstellen. Een onvolledig verweer, ontbrekende bewijsstukken of een gemiste tegenvordering kunnen later moeilijk te herstellen zijn.

Waar moet u als ondernemer op letten?

1. Beoordeel eerst de hele dagvaarding

Begin niet direct met schrijven. Lees de dagvaarding eerst volledig en breng in kaart wat de wederpartij precies van u verlangt.

Welke feiten worden gesteld? Welke afspraken worden aangehaald? Waarop baseert de eiser zijn vordering? En welke documenten worden als bewijs gebruikt?

Het is verstandig om de dagvaarding vervolgens onderdeel voor onderdeel naast uw eigen administratie te leggen. Zo ontstaat een duidelijk overzicht van wat u wel en niet kunt erkennen en waar uw verweer nodig is.

2. Laat geen belangrijke stellingen onbeantwoord

Een verweer moet verder gaan dan alleen aangeven dat u het niet eens bent met de eiser.

Wanneer de wederpartij concrete feiten of omstandigheden aanvoert, is het belangrijk om daar gericht op te reageren. Daarbij moet duidelijk worden welke onderdelen u betwist en waarom.

Een conclusie van antwoord waarin slechts wordt gesteld dat de vordering “niet klopt”, biedt de rechter weinig houvast. Een goed verweer maakt juist inzichtelijk waar het geschil precies over gaat.

3. Verzamel uw bewijs voordat u de conclusie opstelt

Uw herinnering aan wat er is gebeurd is één ding. Kunnen aantonen wat er is afgesproken of gebeurd, is iets anders.

Verzamel daarom zo vroeg mogelijk de documenten die uw standpunt ondersteunen. Denk bijvoorbeeld aan:

  • contracten en overeenkomsten;
  • offertes en opdrachtbevestigingen;
  • e-mails en andere correspondentie;
  • WhatsApp-berichten;
  • facturen en betalingsbewijzen;
  • foto’s of andere documentatie;
  • verklaringen van personen die bij de kwestie betrokken waren.

Door het bewijs direct bij het verweer te betrekken, kan de rechter uw standpunt beter beoordelen.

4. Onderzoek of u zelf een vordering heeft

Een ondernemer die wordt gedagvaard, denkt vaak uitsluitend aan het afwijzen van de vordering van de wederpartij. Maar soms heeft u zelf ook een juridische aanspraak.

Heeft de wederpartij bijvoorbeeld haar verplichtingen niet nagekomen? Heeft u daardoor schade geleden? Of bestaat er een andere vordering die verband houdt met hetzelfde geschil?

Dan kan een eis in reconventie mogelijk interessant zijn. Daarmee stelt u binnen dezelfde procedure een eigen vordering tegen de eiser in.

Dat kan voorkomen dat u voor uw eigen vordering een afzonderlijke procedure moet starten. Wel is het belangrijk om hier tijdig over na te denken: een tegenvordering moet in beginsel direct in de conclusie van antwoord worden ingesteld.

5. Houd de procesregels en termijnen scherp in de gaten

Een civiele procedure kent vaste processtappen. Een conclusie van antwoord moet binnen de door de rechtbank bepaalde termijn worden ingediend.

Ook de manier waarop processtukken en bewijs worden aangeleverd, is aan regels gebonden.

Een sterke inhoudelijke zaak helpt u weinig als u een belangrijke termijn laat verlopen of procedurele voorschriften niet goed naleeft.

Neem daarom direct actie zodra een dagvaarding binnenkomt. Zo blijft er voldoende tijd om de zaak juridisch te beoordelen en het benodigde bewijs te verzamelen.

6. Schrijf voor de rechter, niet voor de wederpartij

Een zakelijk conflict kan behoorlijk wat emoties oproepen. Zeker wanneer u ervan overtuigd bent dat de wederpartij zich onredelijk heeft opgesteld.

Toch is een conclusie van antwoord niet het moment om uw frustratie uitgebreid te beschrijven.

De rechter wil vooral weten:

  • welke feiten vaststaan;
  • welke feiten worden betwist;
  • welk bewijs daarvoor bestaat;
  • welke afspraken tussen partijen zijn gemaakt;
  • en welke juridische consequenties daaraan moeten worden verbonden.

Een helder en zakelijk opgebouwd verweer werkt daarom doorgaans beter dan een lange uiteenzetting waarin vooral de emoties van het conflict naar voren komen.

7. Kijk niet alleen naar winnen of verliezen

Een juridische procedure draait uiteindelijk om meer dan alleen het gelijk krijgen van één van de partijen.

Misschien is een schikking mogelijk. Misschien kan een betalingsregeling een procedure voorkomen. Of misschien is het juist verstandig om door te procederen omdat uw juridische positie sterk is.

Het opstellen van een conclusie van antwoord is daarom ook een goed moment om de bredere strategie te bepalen.

Wat wilt u bereiken? Welke risico’s loopt uw onderneming? Wat kan de procedure kosten? En is een oplossing buiten de rechtbank mogelijk?

Een advocaat kan niet alleen helpen bij het juridische verweer, maar ook bij het bepalen van de meest verstandige vervolgstap.

Wacht niet tot de deadline

Een dagvaarding bevat vaak veel informatie en de reactietermijn lijkt in eerste instantie misschien ruim. In de praktijk kan die tijd snel voorbijgaan.

Er moet worden uitgezocht wat er precies wordt gevorderd, relevante documenten moeten worden verzameld en het verweer moet juridisch worden opgebouwd. Als er daarnaast een tegenvordering mogelijk is, moet ook die worden onderzocht.

Hoe eerder u de dagvaarding laat beoordelen, hoe meer mogelijkheden er zijn om uw positie zorgvuldig voor te bereiden.

Conclusie van antwoord laten opstellen?

Een goede conclusie van antwoord is meer dan een schriftelijke reactie op een dagvaarding. Het is het moment waarop u uw juridische positie voor het eerst duidelijk aan de rechter voorlegt.

Voor ondernemers kan de uitkomst van een procedure grote financiële gevolgen hebben. Laat daarom tijdig beoordelen wat de vordering van de wederpartij betekent, welke verweren mogelijk zijn en of u zelf een tegenvordering heeft.

BedrijfsAdvocaat helpt ondernemers bij zakelijke geschillen en civiele procedures. Wij beoordelen uw situatie, brengen de juridische mogelijkheden in kaart en helpen u bepalen welke aanpak het beste bij uw onderneming past.

 

Aandelentransactie: een afstandsbeding kan ver gaan

Bij de verkoop van aandelen wordt veel aandacht besteed aan de koopprijs, garanties en afspraken over de toekomst. Maar wat gebeurt er als de koper na de transactie ontdekt dat de aandelen volgens hem veel minder waard zijn dan gedacht? Kan hij dan alsnog via de rechter een lagere koopprijs afdwingen?

De Rechtbank Den Haag kreeg die vraag voorgelegd. De koper beriep zich op dwaling en vroeg op grond van artikel 6:230 lid 2 BW om wijziging van de koopovereenkomst: een forse verlaging van de koopprijs. De rechtbank wees dat af. Een belangrijk onderdeel van de uitspraak was het afstandsbeding in de leveringsakte.

Afstand doen van ontbinding en vernietiging

In deze zaak verkochten aandeelhouders een belang van 10 procent in een vennootschap. In de leveringsakte was niet alleen een informatiegarantie opgenomen, maar ook een expliciet afstandsbeding. Daarin deden koper en verkoper afstand van het recht om de onderliggende overeenkomst te laten ontbinden of vernietigen.

Na de transactie stelde de koper dat hij had gedwaald over onder meer de waarde van de aandelen en de toekomstplannen van de andere aandeelhouder. Volgens de koper rechtvaardigde dat een aanpassing van de koopprijs van € 1,8 miljoen naar € 342.000.

Daarmee kwam een interessante vraag op tafel: kan een koper die afstand heeft gedaan van vernietiging wegens dwaling alsnog via artikel 6:230 lid 2 BW een prijsaanpassing verkrijgen?

De rechtbank oordeelde dat dit niet mogelijk was. Het afstandsbeding stond eraan in de weg. De koopovereenkomst bleef dus ongewijzigd in stand.

Een belangrijk aandachtspunt bij aandelenkoop

De uitspraak laat zien dat contractuele afspraken rondom een aandelentransactie niet alleen een formaliteit zijn. Een bepaling in een leveringsakte kan grote gevolgen hebben voor de mogelijkheden om achteraf terug te komen op de transactie.

Voor koper én verkoper is daarom van belang om vooraf goed vast te leggen:

  1. welke informatie over de onderneming wordt gegarandeerd;
  2. welke risico’s voor rekening van de koper komen;
  3. of en onder welke voorwaarden een beroep op dwaling mogelijk blijft;
  4. welke rechten partijen bij ontbinding of vernietiging hebben;
  5. hoe de koopprijs tot stand is gekomen;
  6. en welke afspraken na de overdracht blijven gelden.

Zeker bij transacties tussen bestaande aandeelhouders kunnen dergelijke bepalingen belangrijk zijn. De partijen kennen elkaar en de onderneming vaak al langere tijd, terwijl tegelijkertijd grote financiële belangen op het spel staan.

Ook bestuurdersaansprakelijkheid kwam aan de orde

De zaak ging overigens verder dan alleen de vraag naar de koopprijs. Ook werd de bestuurder persoonlijk aansprakelijk gesteld voor het niet betalen van onder meer de koopprijs en managementvergoedingen.

Ook dat beroep slaagde niet. Volgens de rechtbank was onvoldoende gebleken van betalingsonwil die de bestuurder persoonlijk kon worden verweten. De enkele omstandigheid dat verplichtingen van de vennootschap niet waren voldaan, was daarvoor niet genoeg.

Dat onderscheid is belangrijk. Een onbetaalde factuur of een onbetaalde contractuele verplichting betekent niet automatisch dat de bestuurder privé aansprakelijk is. Voor persoonlijke aansprakelijkheid moet sprake zijn van omstandigheden die de bestuurder daarvan een voldoende ernstig persoonlijk verwijt maken.

Tegelijkertijd wél aansprakelijkheid uit hoofde van de managementovereenkomst

Op een ander punt kreeg de wederpartij wel gelijk. De rechtbank oordeelde dat de managementovereenkomst was geschonden en verklaarde de betrokken vennootschap aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende schade. Ook werd de managementovereenkomst ontbonden.

Dat maakt de uitspraak juist voor ondernemers interessant: verschillende rechtsverhoudingen binnen één aandeelhoudersconflict moeten afzonderlijk worden beoordeeld. De koop van de aandelen, de financiering daarvan, de aandeelhoudersafspraken en een managementovereenkomst hebben ieder hun eigen rechten en verplichtingen.

Wat betekent dit voor ondernemers?

Een aandelentransactie eindigt juridisch niet bij het tekenen van de koopovereenkomst. Juist de combinatie van koopovereenkomst, leveringsakte, garanties, aandeelhoudersovereenkomst en eventuele managementafspraken bepaalt hoeveel ruimte partijen later nog hebben.

Wie als koper achteraf spijt krijgt van een transactie, kan niet zonder meer via een andere juridische route alsnog proberen de economische gevolgen van de deal te veranderen. En wie als verkoper zekerheid wil over de definitieve overdracht, doet er goed aan vooraf zorgvuldig te beoordelen welke rechten de koper nog houdt.

De les uit deze uitspraak? Contractuele zekerheid begint vóór de aandelen worden geleverd. Een goed opgesteld afstandsbeding kan daarbij een belangrijke rol spelen, maar ook garanties en andere afspraken moeten onderling goed op elkaar aansluiten.

Bron: Rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2026:4945. De uitspraak dateert van 4 maart 2026.

Capgemini-arrest: wanneer is een termijn fataal?

Een contractuele termijn lijkt soms glashelder: vóór een bepaalde datum moet een prestatie zijn geleverd. Maar wat gebeurt er als die datum verstrijkt en de prestatie uitblijft? Is de wederpartij dan automatisch in verzuim?

De Hoge Raad heeft zich hierover onlangs uitgesproken in een zaak tussen een softwarebedrijf en Capgemini. Het arrest geeft belangrijke verduidelijkingen over de zogenoemde fatale termijn en over de mogelijkheid om naast een vordering wegens wanprestatie ook een beroep te doen op onrechtmatige daad.

Voor bedrijven die werken met ontwikkeltrajecten, deadlines en andere contractuele verplichtingen zijn die punten relevant.

Wanneer is een termijn fataal?

In het contractenrecht is het onderscheid tussen een gewone termijn en een fatale termijn belangrijk.

Bij een fatale termijn kan het verstrijken van de afgesproken termijn ertoe leiden dat de schuldenaar zonder ingebrekestelling in verzuim raakt. Artikel 6:83 onder a BW bepaalt dat dit het uitgangspunt is wanneer voor de voldoening een bepaalde termijn is gesteld, tenzij uit de omstandigheden blijkt dat de termijn een andere strekking heeft.

De Hoge Raad benadrukt in het Capgemini-arrest dat een voldoende bepaalde termijn in beginsel als fataal moet worden beschouwd. Het is vervolgens aan de schuldenaar om zich op de uitzondering te beroepen en feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit blijkt dat de termijn toch geen fatale betekenis had.

Dat is van belang bij zakelijke overeenkomsten waarin met deadlines wordt gewerkt. Een partij kan niet zonder meer achteraf stellen dat een afgesproken termijn slechts indicatief was.

Niet iedere deadline staat op zichzelf

Tegelijkertijd moet naar de overeenkomst en de samenwerking als geheel worden gekeken.

In de zaak tegen Capgemini speelde mee dat partijen gedurende langere tijd samenwerkten aan de ontwikkeling van software. Er was sprake van voortdurend overleg en er was volgens het hof geen vastomlijnd eindproduct met een vast tijdschema overeengekomen.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het gerechtshof Den Haag echter en verwees de zaak naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch voor verdere behandeling. Daarmee is opnieuw duidelijk gemaakt dat zorgvuldig moet worden vastgesteld wat partijen precies hebben afgesproken en welke betekenis zij aan een termijn mochten toekennen.

Voor ondernemers betekent dit dat het verstandig is om belangrijke deadlines zo concreet mogelijk vast te leggen. Niet alleen de datum zelf, maar ook wat er precies op die datum moet zijn geleverd en wat de gevolgen zijn wanneer dat niet gebeurt.

Wat als geen ingebrekestelling is verstuurd?

Het onderscheid tussen een fatale en een niet-fatale termijn kan grote financiële gevolgen hebben.

Wanneer geen sprake is van een fatale termijn, kan voor het intreden van verzuim in veel gevallen een ingebrekestelling nodig zijn. Bij een fatale termijn kan het verzuim juist zonder ingebrekestelling intreden.

Dat verschil kan vervolgens bepalend zijn voor bijvoorbeeld een schadevergoedingsvordering of de mogelijkheid om een overeenkomst te ontbinden.

Het is daarom riskant om bij een contractueel geschil pas achteraf te kijken naar de vraag of een deadline juridisch bindend was. Wie een belangrijke prestatie verwacht, doet er verstandig aan de afspraken en correspondentie over termijnen goed vast te leggen.

Een vordering uit onrechtmatige daad staat daarnaast zelfstandig

Een tweede belangrijk punt uit het arrest betreft de verhouding tussen wanprestatie en onrechtmatige daad.

Het hof had geoordeeld dat de vorderingen wegens wanprestatie niet konden worden toegewezen omdat Capgemini niet in verzuim was geraakt. Daaruit volgde volgens het hof ook dat de vorderingen uit onrechtmatige daad niet konden worden toegewezen.

De Hoge Raad maakt duidelijk dat die redenering niet zonder meer klopt.

Het feit dat een vordering wegens wanprestatie strandt omdat geen sprake is van verzuim, betekent niet automatisch dat een vordering uit onrechtmatige daad eveneens moet worden afgewezen. Voor die twee grondslagen kunnen verschillende feiten en verwijten relevant zijn.

Dat geeft een belangrijk onderscheid in contractuele geschillen.

Wanprestatie en onrechtmatige daad zijn niet hetzelfde

Bij wanprestatie gaat het om het niet of niet behoorlijk nakomen van een contractuele verplichting.

Een vordering uit onrechtmatige daad heeft een andere juridische grondslag. Daarvoor moet worden beoordeeld of sprake is van een onrechtmatige gedraging die aan de wederpartij kan worden toegerekend en waardoor schade is ontstaan.

Dat betekent niet dat iedere tekortkoming automatisch ook een onrechtmatige daad oplevert. Wel moet een rechter een vordering uit onrechtmatige daad zelfstandig beoordelen wanneer daarvoor een afzonderlijke grondslag en afzonderlijke verwijten worden aangevoerd.

Voor bedrijven die een contractueel geschil hebben, kan dat verschil van groot belang zijn.

Wat betekent dit voor ondernemers?

Het Capgemini-arrest laat zien dat contractuele afspraken over termijnen nauwkeurig moeten worden bekeken.

Voor ondernemers zijn vooral deze aandachtspunten belangrijk:

  • Leg belangrijke deadlines zo concreet mogelijk vast.
  • Maak duidelijk wat partijen precies op een bepaalde datum moeten hebben gedaan.
  • Leg vast welke gevolgen het overschrijden van een termijn heeft.
  • Bewaar correspondentie waarin afspraken over deadlines worden bevestigd of gewijzigd.
  • Controleer bij een dreigende overschrijding of een ingebrekestelling nodig is.
  • Kijk bij een geschil niet alleen naar wanprestatie, maar ook of andere juridische grondslagen een rol kunnen spelen.

Een goede contractuele voorbereiding kan later veel discussie voorkomen.

Laat een contractueel geschil tijdig beoordelen

Het Capgemini-arrest onderstreept dat een ogenschijnlijk eenvoudige vraag – is een termijn verstreken? – juridisch behoorlijk ingewikkeld kan zijn.

De betekenis van een termijn hangt af van wat partijen zijn overeengekomen, de omstandigheden waaronder de afspraken zijn gemaakt en de manier waarop partijen vervolgens met elkaar hebben samengewerkt.

Ook wanneer een beroep op wanprestatie niet slaagt, hoeft daarmee niet iedere andere mogelijke rechtsgrond van tafel te zijn.

Heeft uw onderneming te maken met een contractueel geschil, een gemiste deadline of een wederpartij die haar verplichtingen niet nakomt? Laat dan tijdig beoordelen welke rechten en mogelijkheden u heeft.

BedrijfsAdvocaat helpt ondernemers bij contractuele geschillen, aansprakelijkheidskwesties en andere zakelijke conflicten. Wij brengen uw juridische positie in kaart en bekijken samen welke aanpak het beste past bij uw situatie.

Bron: Hoge Raad, 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1295.

Woningsplitsing: wanneer is een vergunning nodig?

Een woning die al jaren uit meerdere zelfstandige woonruimtes bestaat, lijkt op het eerste gezicht misschien geen juridisch probleem. Toch kunnen eigenaren jaren later worden geconfronteerd met een gemeente die stelt dat sprake is van illegale woningvorming en dat alsnog een vergunning nodig is.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft zich onlangs uitgesproken over dergelijke situaties. Twee recente uitspraken maken duidelijk dat gemeenten niet zonder meer kunnen aannemen dat voor een bestaande woningsplitsing een vergunning nodig is. Ook wanneer een vergunningplicht wél bestaat, moet een weigering goed worden gemotiveerd.

Een oude woningsplitsing is niet automatisch illegaal

Bij woningvorming en woningsplitsing is de feitelijke geschiedenis van een pand van groot belang.

In een uitspraak van 4 februari 2026 stond de vraag centraal of voor een bestaande splitsing überhaupt een woningvormingsvergunning nodig was. De eigenaar stelde dat het pand al vóór de invoering van de vergunningplicht was gesplitst.

De Afdeling keek daarbij niet alleen naar formele documenten of vergunningen. Ook de feitelijke situatie werd onderzocht. Foto’s, verkoopdocumentatie en verklaringen van een makelaar speelden daarbij een rol.

Op basis daarvan achtte de Afdeling aannemelijk dat de woning al vóór de invoering van de vergunningplicht uit twee zelfstandige woningen bestond. Voor die bestaande situatie gold daarom geen vergunningplicht.

Dat is een belangrijk punt voor eigenaren van oudere panden: het ontbreken van een oude vergunning betekent niet automatisch dat de bestaande situatie illegaal is.

De feitelijke situatie kan doorslaggevend zijn

Bij een discussie over een bestaande woningsplitsing is het daarom verstandig om verder terug te kijken dan alleen de huidige regelgeving.

Hoe werd het pand vroeger gebruikt? Wanneer zijn de verschillende woonruimtes ontstaan? Waren er destijds al voorzieningen die wijzen op zelfstandige bewoning? En zijn daar oude documenten of andere bewijzen van?

Denk bijvoorbeeld aan:

  • oude verkoopadvertenties;
  • foto’s van het pand;
  • bouwtekeningen;
  • verklaringen van voormalige bewoners;
  • verklaringen van makelaars;
  • oude gemeentelijke correspondentie;
  • gegevens over de feitelijke bewoning.

Juist bij oudere situaties kan dergelijke informatie belangrijk zijn om aan te tonen hoe een pand in het verleden feitelijk werd gebruikt.

Maar wat als er wél een vergunning nodig is?

Een tweede uitspraak van de Afdeling, van 29 juli 2026, ging over een situatie waarin vaststond dat een vergunningplicht bestond.

Daarmee was de zaak echter nog niet klaar.

Het pand werd al sinds ten minste 1985 als kamerverhuurpand gebruikt. De Afdeling vond dat de gemeente onvoldoende had gemotiveerd waarom zij in die omstandigheden aan het woningvormingsverbod vasthield en waarom geen gebruik kon worden gemaakt van de hardheidsclausule.

Het besluit kon daarom niet in stand blijven. De gemeente moest haar beslissing opnieuw beoordelen en beter motiveren.

Gemeente moet zorgvuldig naar de omstandigheden kijken

Deze uitspraken laten zien dat woningvorming niet altijd kan worden beoordeeld aan de hand van alleen de huidige vergunningregels.

De voorgeschiedenis en het feitelijke gebruik van een pand kunnen van grote betekenis zijn.

Dat geldt ook wanneer een gemeente handhavend optreedt. Een eigenaar kan bijvoorbeeld worden geconfronteerd met een last onder dwangsom om een bestaande situatie ongedaan te maken, terwijl tegelijkertijd wordt verwacht dat een vergunning wordt aangevraagd.

Daarbij kunnen verschillende procedures naast elkaar lopen, bijvoorbeeld over de vraag of überhaupt een vergunning nodig is, over een eventuele omgevingsvergunning en over het handhavingsbesluit.

Voor een eigenaar kan het daardoor lastig zijn om te bepalen waar de juridische kern van het probleem precies ligt.

Wat betekent dit voor vastgoedeigenaren?

Wordt u geconfronteerd met een gemeentelijk besluit over een bestaande woningsplitsing? Dan is het verstandig om eerst vast te stellen wat de juridische status van de situatie daadwerkelijk is.

Belangrijke vragen zijn onder meer:

Bestond de splitsing al voordat een vergunningplicht werd ingevoerd?

Als dat aannemelijk kan worden gemaakt, kan een vergunningplicht mogelijk ontbreken.

Hoe werd het pand feitelijk gebruikt?

De feitelijke gebruiksgeschiedenis kan belangrijk bewijs opleveren.

Is naast een woningvormingsvergunning ook een omgevingsvergunning nodig?

Verschillende vergunningstelsels kunnen naast elkaar een rol spelen.

Is sprake van overgangsrecht?

Bij oudere situaties kan het overgangsrecht van belang zijn.

Heeft de gemeente voldoende gemotiveerd waarom een vergunning wordt geweigerd?

Ook wanneer een vergunningplicht vaststaat, moet een gemeente haar beslissing zorgvuldig onderbouwen.

Zijn er bijzondere omstandigheden?

Onder omstandigheden kan aanleiding bestaan om een hardheidsclausule toe te passen of anderszins van gemeentelijk beleid af te wijken.

Laat een oude woningsplitsing eerst juridisch beoordelen

De recente uitspraken maken duidelijk dat een gemeente niet zonder meer kan volstaan met de constatering dat een pand tegenwoordig aan bepaalde vergunningregels moet voldoen.

Bij oudere woningvorming kan de vraag juist zijn wanneer de situatie is ontstaan en hoe het pand sindsdien feitelijk is gebruikt.

Dat kan het verschil maken tussen een vergunningplichtige situatie en een situatie waarvoor geen vergunning meer kan worden verlangd.

Heeft u een pand met een bestaande woningsplitsing of krijgt u te maken met handhaving door de gemeente? Laat dan eerst beoordelen welke regels op uw situatie van toepassing zijn en welk bewijs beschikbaar is over de geschiedenis van het pand.

BedrijfsAdvocaat helpt ondernemers en vastgoedeigenaren bij geschillen met gemeenten, vergunningkwesties en handhaving. Wij brengen uw juridische positie in kaart en bekijken welke aanpak het beste past bij uw situatie.

Executieverkoop woning: hogere opbrengst mogelijk?

Een hypotheekhouder kan onder bepaalde omstandigheden overgaan tot executieverkoop van een woning. Maar betekent dat ook dat een onderhandse verkoop direct moet worden goedgekeurd?

Niet altijd. Wanneer de eigenaar van de woning onder beschermingsbewind staat en er aanwijzingen zijn dat de woning op korte termijn voor een hogere prijs kan worden verkocht, kan de rechter besluiten om de verkoop niet meteen goed te keuren.

Een recente zaak laat zien dat bij een executieverkoop niet alleen wordt gekeken naar het belang van de hypotheekhouder, maar ook naar de mogelijke opbrengst en de belangen van de eigenaar.

Hypotheekhouder wil woning onderhands verkopen

Bij een executieverkoop kan een hypotheekhouder onder voorwaarden proberen de woning onderhands te verkopen. Een onderhandse verkoop kan aantrekkelijk zijn omdat daarmee mogelijk een hogere opbrengst wordt gerealiseerd dan bij een openbare veiling.

Daarvoor is echter niet altijd direct toestemming van de rechter beschikbaar.

In de zaak waarover de rechter zich moest buigen, stond de eigenaar van de woning onder beschermingsbewind. De bewindvoerder had het belang om de woning tegen een zo gunstig mogelijke prijs te verkopen.

Er bestond volgens de rechter aanleiding om aan te nemen dat een hogere verkoopprijs mogelijk was wanneer de bewindvoerder nog enige tijd kreeg om de verkoop verder te onderzoeken.

Belang van een zo hoog mogelijke opbrengst

Bij een gedwongen verkoop staat het belang van de hypotheekhouder om zijn vordering te innen voorop. Maar dat betekent niet dat iedere verkoopmogelijkheid zonder meer moet worden geaccepteerd.

De verkoopopbrengst kan immers ook gevolgen hebben voor de eigenaar van de woning en eventuele andere betrokken schuldeisers.

Wanneer aannemelijk is dat uitstel van de verkoop kan leiden tot een aanzienlijk hogere opbrengst, kan dat aanleiding zijn om de beslissing over een onderhandse verkoop uit te stellen.

Daarmee krijgt de bewindvoerder de mogelijkheid om te onderzoeken of een betere verkoopprijs kan worden gerealiseerd.

Beschermingsbewind speelt een belangrijke rol

Beschermingsbewind is bedoeld om het vermogen en de financiële belangen van iemand die daar zelf niet goed toe in staat is te beschermen.

Wanneer een woning onder bewind wordt verkocht, moet daarom zorgvuldig worden gekeken naar de gevolgen van die verkoop.

Dat betekent niet dat een hypotheekhouder zijn rechten verliest doordat de eigenaar onder bewind staat. Een hypotheekhouder behoudt zijn wettelijke positie. Wel kan de aanwezigheid van beschermingsbewind een extra reden zijn om zorgvuldig te kijken naar de manier waarop en het moment waarop de woning wordt verkocht.

Uitstel betekent niet dat verkoop van tafel is

Een belangrijk onderscheid is dat uitstel van de beslissing niet betekent dat de executieverkoop definitief wordt tegengehouden.

De rechter kan ruimte bieden om eerst te onderzoeken of een hogere opbrengst haalbaar is. Daarna kan opnieuw worden bekeken welke verkoopwijze het meest geschikt is.

Het gaat dus om een belangenafweging: levert wachten naar verwachting voldoende voordeel op om het uitstel te rechtvaardigen?

Wat betekent dit voor hypotheekhouders en eigenaren?

Een executieverkoop heeft grote financiële gevolgen. Zowel voor een hypotheekhouder als voor de eigenaar is het daarom van belang om niet alleen naar de snelheid van verkoop te kijken, maar ook naar de verwachte opbrengst.

Voor een hypotheekhouder kan een onderhandse verkoop aantrekkelijk zijn wanneer daarmee een goede prijs kan worden gerealiseerd. Tegelijkertijd kan een bewindvoerder of eigenaar belang hebben bij extra tijd om een betere koper of hogere verkoopprijs te vinden.

De omstandigheden van het concrete geval zijn daarbij doorslaggevend.

Zorgvuldige voorbereiding kan verschil maken

Bij een voorgenomen executieverkoop is het verstandig om vooraf goed in kaart te brengen welke verkoopmogelijkheden er zijn en welke belangen daarbij spelen.

Denk bijvoorbeeld aan:

  1. de actuele marktwaarde van de woning;
  2. concrete biedingen of verkoopmogelijkheden;
  3. de verwachte opbrengst bij verschillende verkoopmethoden;
  4. de hoogte van de hypotheekschuld;
  5. de belangen van eventuele andere schuldeisers;
  6. en de gevolgen van uitstel.

Een goed onderbouwd voorstel kan van belang zijn wanneer de rechter moet beoordelen of een onderhandse verkoop moet worden toegestaan of dat eerst nader onderzoek naar een mogelijke hogere opbrengst nodig is.

Executieverkoop vraagt om maatwerk

De zaak laat zien dat een executieverkoop niet altijd een kwestie is van zo snel mogelijk verkopen. Ook de vraag wat de verkoop uiteindelijk oplevert kan zwaar wegen.

Voor hypotheekhouders, bewindvoerders en eigenaren kan het daarom belangrijk zijn om de verschillende belangen en verkoopscenario’s zorgvuldig tegen elkaar af te wegen.

Heeft u te maken met een executieverkoop van een woning of een geschil over de verkoopwijze? Dan is het verstandig om tijdig juridisch advies in te winnen over uw positie en de mogelijkheden.

BedrijfsAdvocaat helpt ondernemers, schuldeisers en andere betrokkenen bij juridische geschillen over vastgoed, zekerheden en executie. Wij brengen de situatie in kaart en bekijken welke aanpak het beste past bij uw belangen.

Via Nederlandse rechter buitenlands gelegd beslag opheffen?

Het komt regelmatig voor: u heeft een vordering op een (zakelijke) partner en om te voorkomen dat u na een langdurige procedure met lege handen staat, wordt conservatoir beslag gelegd. Denk aan het bevriezen van een bankrekening of het veiligstellen van onroerend goed.

Via Nederlandse rechter buitenlands gelegd beslag opheffen?

Procederen kost immers tijd en geld. Het zou een flinke tegenvaller zijn wanneer na anderhalf tot twee jaar blijkt dat er niets meer te verhalen valt. Daarom kan voorafgaand aan een procedure bij de voorzieningenrechter verlof worden gevraagd om conservatoir beslag te leggen. In Nederland wordt dit verlof relatief eenvoudig – zonder wederhoor – verleend.

Met dat verlof kan de deurwaarder bewarende maatregelen nemen. Dit betekent dat tegoeden of goederen worden “bevroren” totdat de rechter definitief uitspraak doet. De debiteur kan dan bijvoorbeeld:

  • niet vrij beschikken over zijn bankrekening,
  • geen debiteuren innen,
  • geen onroerend goed verkopen.
  • Voor de beslagene kan dit verstrekkende gevolgen hebben.

Maar wat als het beslag in het buitenland is gelegd? En wat als de betrokken partijen in Nederland wonen?


Praktijkvoorbeeld: Surinaams beslag, Nederlandse rechter

In een recente zaak bij de rechtbank Rotterdam speelde het volgende.

In Suriname legden acht kinderen conservatoir beslag op onroerend goed dat eigendom was van de weduwe van hun overleden vader. Zij hadden op grond van het erfrecht en het testament een geldvordering op haar, die pas opeisbaar zou worden bij hertrouwen of overlijden.

De weduwe had het onroerend goed verkocht aan een stichting waarbij zij indirect betrokken zou zijn. Volgens de kinderen was sprake van een paulianeuze transactie: verkoop tegen een te lage prijs om vermogen aan hun toekomstige verhaal te onttrekken.

De Surinaamse rechter verleende verlof voor beslaglegging.

Maar vervolgens ontstond een bijzonder juridisch vraagstuk:

  • De weduwe woonde in Nederland.
  • Zeven van de acht kinderen woonden in Nederland.
  • De overledene had in Nederland gewoond.
  • Procedures in Suriname duren lang.

De weduwe stapte daarom naar de Nederlandse kortgedingrechter met het verzoek de kinderen te veroordelen het beslag op te heffen.


Is de Nederlandse rechter bevoegd?

Normaal geldt in het internationaal privaatrecht dat uitsluitend de rechter van het land waar het beslag is gelegd bevoegd is om te oordelen over de tenuitvoerlegging daarvan. Binnen de EU is dit vastgelegd in artikel 24 lid 5 van de Herschikte EEX-Verordening.

Maar hier zat een nuance.

De weduwe vroeg de Nederlandse rechter niet om zelf het Surinaamse beslag op te heffen. Zij vroeg om de kinderen te veroordelen om het beslag te laten opheffen, op straffe van een dwangsom.

Dat verschil is juridisch cruciaal.

De Rotterdamse voorzieningenrechter oordeelde dat hij wél bevoegd was, omdat:

  • de gedaagden (de kinderen) in Nederland woonden,
  • het geen executiegeschil was over de tenuitvoerlegging zelf,
  • maar een vordering tot veroordeling van de beslagleggers.

De rechter kan het buitenlandse beslag dus niet zelf opheffen, maar kan de beslagleggers wel bevelen dit te doen.

Deze lijn sluit aan bij eerdere rechtspraak, onder meer van de rechtbank Zwolle-Lelystad.

De andere zeven kinderen voerden aan dat het dan zinloos was hen te veroordelen: het beslag zou toch blijven liggen ten gunste van het achtste kind.

De rechter ging hier niet in mee. De weduwe kon er namelijk belang bij hebben dat zij nog slechts voor één beslaglegger vervangende zekerheid hoefde te stellen.

De vordering tot opheffing werd uiteindelijk inhoudelijk afgewezen, omdat de onderliggende vordering niet summierlijk ondeugdelijk werd geacht (artikel 705 Rv).

Maar de bevoegdheidsvraag was helder beantwoord.


Conclusie

Als de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft — bijvoorbeeld omdat de beslagleggers in Nederland wonen — kunnen de exclusieve bevoegdheidsregels over executiegeschillen daaraan niet in de weg staan.

Belangrijk is wel dat de vordering juist wordt ingesteld:

Niet: “heft het beslag op”
Maar: “veroordeelt de beslaglegger het beslag op te heffen”.

Dat juridische verschil bepaalt of de Nederlandse rechter bevoegd is.


Heeft u te maken met beslag of een hardnekkige vordering?

Bij Avinci Advocaten en Bedrijfsadvocaat krijgen wij regelmatig cliënten die:

  • nog geld tegoed hebben van een (zakelijke) partner;
  • twijfelen of procederen de moeite waard is;
  • vrezen dat er niets te verhalen valt;
  • hun relatie niet willen verstoren;
  • of al jaren wachten op betaling.

Wij kijken zakelijk en strategisch naar uw positie en beoordelen realistisch uw kansen van slagen.

Want het zou zonde zijn als u als rechtmatige schuldeiser tekort wordt gedaan.


Incasso voor bedrijven – no cure, less pay

We hebben ruime ervaring in het innen van openstaande facturen, vorderingen, incasso’s en beslaglegging.

Wij kunnen voor u:

  • Openstaande facturen innen
  • Conservatoir beslag leggen
  • Faillissement aanvragen

Bron: Via Nederlandse rechter buitenlands gelegd beslag opheffen: Recht.nl, Rechtspraak, Dutch Debts, Dirkzwager Advocatuur.

Bestuursleden aansprakelijk bij faillissement aannemer?

Bestuursleden Aansprakelijk bij Faillissement Aannemer? Het faillissement van een aannemer kan grote gevolgen hebben voor een vereniging. Lees hier meer over een gerelateerd juridisch geval.

Wanneer een aannemer failliet gaat, zoals in het geval van de bouw van een nieuw clubgebouw, kan de vereniging haar investering verliezen. Dit roept de vraag op: zijn de bestuursleden persoonlijk aansprakelijk voor de geleden schade?

  • Juridische grondslag

Volgens artikel 2:9 BW is elke bestuurder verplicht tot een behoorlijke taakvervulling. Dit betekent dat zij verantwoordelijk zijn voor de algemene gang van zaken binnen de rechtspersoon. Aansprakelijkheid ontstaat echter pas bij een ernstig verwijt aan de bestuurder.

  • Omstandigheden van het geval

De beoordeling van de aansprakelijkheid hangt af van verschillende factoren:

  • De aard van de activiteiten van de rechtspersoon
  • De informatie waarover de bestuurder beschikte of kon beschikken
  • Het inzicht en de zorgvuldigheid die van een bestuurder mag worden verwacht
  • Casus: Tennisvereniging en Prima Blokhutten

In een recente zaak verwijt een tennisvereniging haar bestuursleden dat zij geen garanties hebben bedongen bij het aangaan van een overeenkomst met aannemer Prima Blokhutten. De rechtbank oordeelde echter dat het ontbreken van garanties niet ongebruikelijk is en dat een CAR-verzekering in dit geval geen oplossing zou hebben geboden.

  • Bestuursleden als vrijwilligers

De rechtbank nam ook in overweging dat de bestuursleden onbezoldigde vrijwilligers zijn. Er was geen bewijs dat zij handelden met het oogmerk zichzelf te verrijken. Hun handelen werd ingegeven door een gevoel van verantwoordelijkheid om het clubhuis te vervangen.

  • Conclusie: 

Hoewel de bestuursleden onzorgvuldig hebben gehandeld, was er geen sprake van een ernstig verwijt. De rechtbank benadrukte dat ook de vereniging zelf een actievere rol had moeten spelen in het toezicht op de bouw van het nieuwe clubhuis.

  • Point of View van Advocaat Arthur Hansen:

De rol van AI in de rechtspraak: kansen en risico's voor uw bedrijf

Advocaat Arthur Hansen benadrukt het belang van goede contractuele afspraken en verzekeringen bij bouwprojecten. “Het is cruciaal dat verenigingen zich goed laten adviseren om dergelijke risico’s te minimaliseren,” aldus Hansen.

  • Hulp nodig? 

Heeft uw vereniging juridische hulp nodig bij bouwprojecten? Neem contact op met Bedrijfsadvocaat.nl voor deskundig advies.

Last onder dwangsom: Wat u moet weten

Een last onder dwangsom kan verstrekkende gevolgen hebben voor bedrijven en individuen. In dit artikel bespreken we wat een last onder dwangsom inhoudt, hoe het werkt en wat de juridische implicaties zijn. Lees ook ons gerelateerde artikel over juridische ondersteuning bij bestuursrechtelijke kwesties.

Wat is een last onder dwangsom?

Een last onder dwangsom is een bestuursrechtelijk instrument dat wordt gebruikt om naleving van wettelijke verplichtingen af te dwingen. Het houdt in dat een overheidsinstantie, zoals De Nederlandsche Bank (DNB), een boete oplegt die moet worden betaald als een bepaalde overtreding niet binnen een gestelde termijn wordt beëindigd.

Juridische achtergrond

De juridische basis voor een last onder dwangsom is vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit instrument wordt vaak gebruikt in situaties waarin een bedrijf of individu zich niet houdt aan wettelijke voorschriften, zoals het ontbreken van een benodigde vergunning.

Hoe werkt een last onder dwangsom?

Een last onder dwangsom werkt als volgt:

  1. Oplegging: De overheidsinstantie legt een last onder dwangsom op aan de overtreder.
  2. Begunstigingstermijn: De overtreder krijgt een bepaalde termijn om de overtreding te beëindigen.
  3. Dwangsom: Als de overtreding na de begunstigingstermijn niet is beëindigd, moet de overtreder een boete betalen.

Juridische implicaties

Het niet naleven van een last onder dwangsom kan leiden tot aanzienlijke financiële sancties. Bovendien kan het bedrijf of individu in kwestie te maken krijgen met verdere juridische stappen, zoals invorderingsbesluiten en aanvullende sancties.

Case Study: Rechtbank Rotterdam

In een zaak bij de Rechtbank Rotterdam werd een bedrijf dat zonder vergunning verzekerings- en betaaldiensten aanbood, geconfronteerd met een last onder dwangsom van DNB. De rechtbank oordeelde dat de last onder dwangsom terecht was opgelegd en dat de begunstigingstermijn van vier weken niet onredelijk kort was. Lees de rechtzaak hier.

Conclusie

Een last onder dwangsom is een krachtig instrument om naleving van wettelijke verplichtingen af te dwingen. Het is belangrijk om te begrijpen wat dit inhoudt en hoe u zich kunt voorbereiden als u hiermee te maken krijgt. Raadpleeg altijd een juridisch expert om uw rechten en plichten te begrijpen.

Point of View van Advocaat Arthur Hansen:

De rol van AI in de rechtspraak: kansen en risico's voor uw bedrijf

“Een last onder dwangsom kan aanzienlijke gevolgen hebben voor uw bedrijf. Het is essentieel om snel te handelen en juridische ondersteuning te zoeken om te voorkomen dat de situatie escaleert. Bij Bedrijfsadvocaat.nl staan we klaar om u te helpen bij het navigeren door deze complexe juridische kwesties.”

Call to Action

Heeft u te maken met een last onder dwangsom? Neem vandaag nog contact op met Bedrijfsadvocaat.nl voor deskundig juridisch advies en ondersteuning.